
‘Wat veurbi-j geet en wat blif’ nieuweexpositie bij Museum Smedekinck
CultuurZELHEM – In De Stal van Museum Smedekinck aan de Pluimersdijk 5 in Zelhem is tijdens het zomerseizoen (april tot november) de expositie ‘Wat veurbi-j geet en wat blif’ te zien. Het is een tentoonstelling over de Achterhoekse dialectschrijver Frans Roes, alias Herman van Velzen, gecombineerd met een expositie van kleding ‘van alledag’ en ander textiel uit de periode 1801 – 1965, alles uit het eigen depot van het museum. Er is weer genoeg te zien en te leren over ‘vroeger’ van dinsdag tot en met zondag van 13.30 tot 17.00 uur.
Herman van Velzen
Frans Roes (1902-1974), beter bekend onder zijn pseudoniem Herman van Velzen, was een bekende Achterhoekse dialectschrijver. Hij was de geestelijk vader van de minstens zo bekende bezembinder Aornt Peppelenkamp, die met zijn vrouw Geerte en negen kinderen op een boerderijtje in het fictieve plaatsje Koolhoven (waarbij de schrijver zijn eigen woonplaats Hengelo Gld in gedachten had) woonde. Van 1935 tot 1972 stond er wekelijks een verhaal van Herman van Velzen in de Graafschapbode, uitgezonderd in de paar maanden in 1943, waarin de krant niet verscheen.
Naast bijna 2.000 verhalen over het alledaagse leven in de Achterhoek schreef Van Velzen ook een aantal romans en toneelstukken. Tegenwoordig worden er nog steeds boeken van hem uitgegeven. Zoon Theo Roes heeft zich, na zijn pensionering, over de vele handgeschreven en nog nooit door een ander dan zijn vader zelf gelezen verhalen ontfermd. Hij digitaliseert ze en maakt ze zonodig af, waarna ze naar de uitgever gaan. De expositie bij Smedekinck bestaat voor een belangrijk deel uit boeken en manuscripten, zoals bijvoorbeeld, de voor het museum door Theo Roes gesigneerde, laatste verhalenbundel Pielenden en een aantal kopieën van het handgeschreven manuscript van de roman Steaven Volman. In het begin van zijn carrière schreef Frans Roes ook onder het pseudoniem Manus Kruuthof, waarvan een aantal verhalen ter plekke door de bezoekers kunnen worden gelezen.
Kleding van alledag
De tentoongestelde kleding van alledag uit de periode 1801-1965 bestaat niet alleen uit doordeweekse kleding die in die periode werd gedragen. In de grote vitrine wordt ook chique kleding uit vervlogen tijden tentoongesteld, zoals onder andere bruidsjurken, het jurkje van een bruidsmeisje, doopjurken en andere kleding voor speciale gelegenheden. De vossenstola, compleet met kop, poten en staart, behoorde ook vroeger vast niet tot de kleding van alledag.
Daarbij denk je toch meer aan bijvoorbeeld de kleding die Aornt Peppelenkamp, zijn vrouw Geerte en ‘kleinen Aornt’ doordeweeks, en misschien ook wel op zondag droegen en die ook tentoongesteld wordt. Als je voor de grote vitrine staat, kijk dan ook even naar boven, om een indruk te krijgen van wat mensen vroeger onder hun bovenkleding droegen of waarmee ze probeerden wat slanker te lijken. De diverse tentoongestelde kleding- en werkstukken zijn soms al eeuwenoud, zoals bijvoorbeeld de merklap die in 1801, waarschijnlijk door de toen twaalfjarige in Rheden geboren Assuera Joanna Havekes, is geborduurd.
museumsmedekinck.nl
