Arend Heideman. Archieffoto: Rob Weeber

Arend Heideman. Archieffoto: Rob Weeber

‘Ik? Ik heb alleen maar in de Achterhoek gewoond!’

Veur de Draod

ACHTERHOEK - In Veur de Draod beantwoorden Bekende Achterhoekers stellingen. In deze aflevering Arend Heideman (1948) uit Gelselaar. De cultuurhistorisch schrijver die het leven van de monumentale schrijver Sluiter levend houdt via de Stichting Willem Sluiter.

Door André Valkeman

1) Mijn mentale bui is:
“Ik heb al 77 jaar geluk en liefde mogen ervaren, geen dag in mijn leven honger geleden, voel me zeer rijk met alles in de schepping waar we niks van bezitten, zoals boerenzwaluwen in de zomer onder het dak van onze oude boerderij, en ben nog zo gezond, dat ik samen met anderen dag in dag uit veel werk kan verzetten op cultuurhistorisch gebied. Wat wil een mens met mijn interesse en vaardigheden nog meer?

Helaas leent deze rubriek, die ik zelf ook graag lees, zich minder voor het delen van grappen. Bij al mijn vrijwilligerswerk wil ik echter humor niet graag missen.”

2) Ik lijk het meest op ‘mien va/mo’:
“Ik lijk het meeste op mijn moeder, aan wie ik mijn interesse voor poëzie dank. Ze was overigens bang dat ik kunstenaar wilde worden, waar ze weinig goeds van wist en armoede van vreesde.

Mijn vader heeft vast invloed gehad op al mijn bestuurlijke en politieke activiteiten. Je inzetten voor kerk, school en maatschappij, was eens het parool bij kringen waar ik in opgroeide. 

Grote interesse voor de historie en voor alles wat er in de wereld gebeurt, schrijf ik zo vooral toe aan de oma van moederskant bij ons thuis, die in mijn kinderjaren zo prachtig kon vertellen.”

3) Mijn grootste angst in het leven is:
“Ik ben geen held. Ik ken enige hoogtevrees, was toen ik nog niet kon zwemmen als volwassene bang voor het water, maar voel verder geen grote angst, probeer altijd door zo goed mogelijk te organiseren vervelende zaken te voorkomen.”

4) Na de dood is er:
“Ik geloof wel in eeuwig leven, maar wil me niet bezondigen aan daarover dingen te zeggen die ik niet weet.”

5) De oorlogen vandaag zijn heter dan de Koude Oorlog:
“Ondanks grote interesse voor alles wat er gebeurt, kan ik hier geen eenvoudig antwoord op geven, omdat de situaties nogal verschillen.

Als kind heb ik intens meegeleefd met landen als Hongarije in 1956 en Tsjechoslowakije in 1968. Ik heb de angst ervaren en behoefte gevoeld aan verzet toen die ruw werden onderdrukt door de Sovjetunie. 

In 1981, tijdens grote spanningen in Polen, heb ik bij een reis per lelijke eend naar Moskou geproefd hoe beklemmend het toen nog was achter het IJzeren Gordijn. 

Beslist niet minder zorgwekkend is de toestand in de huidige wereld, met enkele machtige leiders, die zich idioot en barbaars gedragen. We moeten hopen op leiders die de moed en het vermogen hebben zich hier tegen te weren en ons uiterste best blijven doen die via verkiezingen aan de macht te helpen en te houden. 

Laten we ook goed luisteren naar wetenschappers als Beatrice de Graaf. Ik heb zelf zeker niet de wijsheid in pacht, maar wel altijd veel interesse gehad voor Rusland. 

Een gemiste kans in mijn ogen is: het Westen heeft zich onvoldoende verdiept in dit land en in plaats van democratie vooral hard kapitalisme ernaartoe geëxporteerd. Met de gevolgen kampen we nu en het kan lang duren voordat dit is te herstellen.’’

6) Ik kan buiten de Achterhoek wonen:
“Ik heb alleen maar in de Achterhoek gewoond en ook nog bijna altijd op de plek in Gelselaar waar ik ben geboren en opgegroeid. Dus kan ik niet goed oordelen hoe het zou zijn elders te leven, al denk ik dat er overal ook mensen zullen zijn waar je goed bij kunt vertoeven.

De gemoedelijkheid van de Achterhoek spreekt me echter zeker aan. Ook in aangrenzende gebieden, zoals Twente, kom ik dat wel tegen. Mensen zijn echter in mijn ogen niet beter of slechter omdat ze op een bepaalde plek zijn geboren of wonen.”

7) De mens is monogaam:
“Wie alles goed volgt, kan moeilijk volhouden dat de mens monogaam is. Ik heb er echter geen enkele moeite mee hier wel voor te kiezen en ben dankbaar, dat ik al meer dan een halve eeuw gelukkig getrouwd ben.”

8) Hierom huilde ik voor het laatst:
“Bij huilen denk ik alleen aan mijn kinderjaren, al kan er best van ontroering een traan in mijn ogen springen, als er iets zeer verdrietigs gebeurt, maar eerder nog bij wat bijzonder mooi is en me diep raakt.

Bijvoorbeeld als je ziet hoe sommige mensen zich belangeloos en met gevaar voor eigen leven inzetten voor hun medemensen, of bij een prachtig gedicht of lied, zoals ik onlangs nog in kerken hoorde zingen.’’

9) Mensen met accent en of tongval zijn:
“We moeten uiteraard proberen goed verstaanbaar te zijn, maar waarom zouden mensen niet aan mij mogen horen waar ik vandaan kom?

Begin jaren zeventig werkte ik als journalist bij de Graafschapbode in Doetinchem en iemand zei dat het amper aan mij was te horen dat ik uit de Achterhoek kwam. Ik was daar blij mee, omdat het me gunstig leek voor mijn loopbaan.

Geleidelijk aan keek ik hier anders tegenaan. Enerzijds werd ik me steeds meer bewust van de waarde van de streektaal, anderzijds werd ik inmiddels zoveel ouder dat mij een eventueel onheus oordeel over dialect spreken mij minder kon deren. 

Uiteindelijk sprak ik met een paar collega’s op redacties van kranten met groot genoegen ons dialect. 

Stadsplat, zoals ik vaak hoorde in Twentse steden, vind ik echter niet fraai klinken. Het zit er te veel tussenin: geen dialect en geen Nederlands.”

10) Dit komt op mijn grafsteen:
“Gekscherend heb ik tegen mijn vrouw wel eens gezegd dat maar op mijn grafsteen moet worden geschreven: “Hier ben ik niet.” Enerzijds een kwestie van geloof − anderzijds heeft het te maken met het zelf niet zo vaak begraafplaatsen bezoeken. Toch heb ik alle respect voor mensen die daar meer behoefte aan hebben.”