Naar Zandvoort

Op de dag dat het blijft vriezen en de mist niet verdwijnt, loop ik met mijn kruiwagen vol spullen van het woonhuis naar de deel. Ik ben iemand die ruim woont en niets weggooit. In deze zin schuilt een drama. Mensen die in een gewone flat wonen moeten nu en dan overtollige bezittingen verkopen, weggeven of weggooien. Doen ze dat niet, dan groeit hun huis langzaam dicht. De buren merken dat het eerst, ze snuiven de geur van ontbinding en verrotting, ze kijken met andere ogen naar het gedrag van de buurman. Het vuil hoopt zich op, de overloop, de berging, alle kamers, de keuken. Er ontstaat een patroon van diepe sleuven waar nog voorzichtig gelopen kan worden. Pas als er schade ontstaat bij de buren en de buitenwereld zich meldt, is er een kans dat ik als tv-kijker kan zien wat de gevolgen van bewaardrift kunnen zijn. De buurman was misschien ooit een gewone jongen zoals ik. We zouden in dezelfde buurt gewoond kunnen hebben en op dezelfde school gezeten. Onze ouders waren wellicht bevriend en bridgeden of tennisten met elkaar. Het is zelfs mogelijk dat wij elkaar pas leerden kennen toen wij verhuisden naar Antwerpen, waar mijn vader een administratieve baan had gekregen en zijn vader op een kraan in de haven werkte. Hoe dan ook, wat is er gebeurd dat iemand zo vereenzaamt dat hij zelfs niet meer naar buiten wil. Ik kan deze vraag niet beantwoorden, maar ik ken wel iemand die gered is door een gedicht. Het was een jongen van het Spinoza Lyceum in Amsterdam, jaren vijftig. Hij kon goed leren, maar kundige leraren signaleerden zijn neiging tot vereenzaming. Bij het lerarenoverleg werd er over gepraat, de leraar Nederlands zou zich over hem ontfermen. Dat heeft hij een jaar gedaan, ze praatten veel en er kwamen vaak gedichten ter sprake. Na dat jaar leek de jongen ten goede veranderd. Hijzelf was van mening dat het vooral de po√ęzie was geweest. Toen er een keer met hem over gepraat werd, pakte hij een gedicht van Jan Hanlo en las het in de klas voor.

Vers
Op mijn gitaar kan ik zacht een snaar aanslaan
en dan mijn vingers vormen tot een ongewoon akkoord
of laat des avonds langs de door de storm beruiste bomen gaan

'k Kan bladeren in een boek met platen
of op een nieuw vel van mijn bloc een streep zetten
of dwalen naar de stenen bank waar we eens stonden

Of met de trein naar Zandvoort naar het strand gaan
en naar de grijze zee en de verlaten branding kijken
en daar met gave schoongespoelde schelpjes in mijn hand staan

Iemand zei dat het waarschijnlijk de schoongespoelde schelpjes waren die het hem gedaan hadden. Maar daar wilde hij niets over zeggen. De leraar Nederlands, een vriend van Hanlo, gaf hem gelijk. Zelf vond ik 'met de trein naar Zandvoort naar het strand gaan' de beste keus, maar ik bemoei me nooit met discussies over gedichten.