Klas 4 en 5, net na de oorlog in het noodgebouw De Stoave. Voorste rij, zittend vijfde van rechts: Willem Reurslag. Foto: Willem Reurslag
Klas 4 en 5, net na de oorlog in het noodgebouw De Stoave. Voorste rij, zittend vijfde van rechts: Willem Reurslag. Foto: Willem Reurslag

Bevrijding van Geesteren opnieuw gevierd op Eerste Paasdag (deel 5)

GEESTEREN - Net zoals in 1945, werd op zondag 1 april, Eerste Paasdag, de bevrijding van Geesteren gevierd, zij het dat er nu geen Canadezen door het dorp trokken. Willem Reurslag uit Geesteren was net geen vijf toen de oorlog begon, maar kan zich veel feiten nog goed herinneren. Hij groeide op de boerderij op, een plek waar tijdens de oorlogsjaren vreemd genoeg vriend en vijand samenleefden en zelfs werkten. Slechte herinneringen heeft hij niet, maar de jaren hebben zeker indruk gemaakt. Dit is deel vijf, de laatste uit een reeks van vijf verhalen.

Door Rob Weeber

De leugen van de Landwacht
We naderden het laatste jaar van de oorlog, een tijd waarin het front langzaam dichterbij kwam. In Geesteren werkte politieagent Huiskamp. Hij stond onder het commando van de Duitsers en was verantwoordelijk voor het toezicht op de Duitse regels. Clandestien slachten bijvoorbeeld was verboden en zou moeten worden beboet. Onderduikers daarentegen moesten gerapporteerd worden, waarna een inval volgde. Huiskamp echter was geen kwade man en in plaats van dat hij boetes uitdeelde, gaf hij louter waarschuwingen. Ook gaf hij niemand aan bij de Duitsers. Dat feit ging op den duur opvallen en via de Landwacht werd Bource uit Zelhem toegevoegd.

"Bource kreeg een huis toegewezen van Joodse mensen die eerder waren afgevoerd. Het was een jongeman die heel hard kon lopen en snel kon fietsen. Gevolg was dat hij overal achteraan ging en bekeuringen uitschreef. Zeker het clandestien slachten was gemeengoed in Geesteren in die tijd. Maar ook illegale stropers weren bekeurd. Op de Boeren Es en de Geesterse Es werd 's zomers rogge en haver geteeld en 's winters knollen. Dat trok veel konijnen, fazanten en patrijzen. Hoewel hij de mensen wel bekeurde, had Bource toch twee petten op. Als er 's nachts een inval of huiszoeking werd gedaan, dan moest hij mee met een speciale groep Duitsers. De praktijk was echter dat er nooit iemand werd aangetroffen. Bource waarschuwde namelijk van te voren dominee Broek Roelofs en die gaf het via zijn vertrouwelingen door op het betreffende adres. Na een aantal keren voor niets te zijn ingevallen, werden de Duitsers kwaad op de Landwacht. Ze dreigden met een werkkamp als de Landwacht niet met betere tips kwam. Inmiddels was de verdenking op Bource gevallen en hij werd uitgenodigd om op het gemeentehuis van Borculo te verschijnen. Bource vroeg toen dominee Broek Roelofs om raad en die adviseerde hem om onmiddellijk de benen te nemen. Bource ging daarop naar boer Derk Esselink om onder te duiken. Samen met Ko van de Brink zou Derk de kleding en inboedel van Bource van zijn huis naar de boerderij van Derk overbrengen. Ko van de Brink zat bij boer Karssenberg ondergedoken. Hij kwam uit Putten en was net voor de razzia van de Duitsers gevlucht. Derk en Ko liepen een aantal keren met een kruiwagen hun vaste route langs de Meengsweg, maar daaraan lag ook het pand van aannemer Florijn. Diens hond sloeg steeds aan en Derk en Co besloten de route te wijzigen via de Geesterse Es. Het toeval wilde dat ze daar op een patrouille van de Landwacht stuitten die zonder licht op de fiets uit de richting Gelselaar kwam. Ze werden aangehouden, maar Ko vluchtte weg. Hij had altijd gezegd dat de Duitsers hem nooit levend in handen zouden krijgen. Ver kwam hij echter niet, hij werd door de Landwacht doodgeschoten. Het verhaal is later door Derk bevestigd. De Landwacht echter, een lid daarvan kwam uit Borculo, ontkende het doodschieten van Ko en gaf in eerste instantie de Duitsers de schuld. Deze ontkenden echter en toen werd de brandweer uit Zevenaar de schuld in de schoenen geschoven. Zij waren inderdaad in Borculo geweest, maar hadden er natuurlijk niets mee te maken. De Duitsers pakten na de actie twaalf man op, waaronder het voltallige college van B&W van Borculo. Zij werden naar het Juvenaat in Zevenaar gestuurd en opgesloten. Het Juvenaat was destijds een rooms-katholieke kostschool en gevorderd door de SS. De regel was dat er altijd vijftig vrijwilligers uit Geesteren en Borculo aanwezig moesten zijn om een tankwal en mangaten te graven. Ook mijn vader heeft er eens 14 dagen gezeten. Hij mocht terug omdat er aflossing kwam. Zolang er maar vijftig aanwezig waren, was het goed. De keerzijde was dat als er geen vijftig man waren, er iemand van de gevangenen zou worden gefusilleerd. Gelukkig is het nooit zover gekomen. Het onderdak in Zevenaar was erbarmelijk. De meesten vrijwilligers sliepen in een soort kippenhok. Een man uit Geesteren wendde te vaak ziekte voor en kwam dan 's morgens zijn bed niet uit. Dat irriteerde zijn medebewoners die op een ochtend de schoorsteen hebben afgedekt en de houtkachel binnen flink opgestookt. Door de rookontwikkeling moest de man wel naar buiten en aan het werk."

Het afscheidscadeau van de Duitsers
In maart 1945 hadden een paar fanatieke Duitsers een mitrailleursnest in buurtschap Overbiel geïnstalleerd. De vijand werd verwacht en vanaf hun plek hadden ze een weids uitzicht. Vanuit de kant van Neede kwamen de geallieerden, waarna er een vuurgevecht ontstond. Midden in het schootsveld echter lagen twee boerderijen, die van Te Veldhuis (boerderij Groot Willink) en van Klein Willink (boerderij Scherpenoord) en beide vlogen in brand. Ze zijn later wel weer opgebouwd. "De Engelsen interesseerden het niet dat er gebouwen stonden, ze schoten gewoon terug. Ook in Geesteren was de spanning van de naderende gevechten voelbaar. Het hoofdkwartier van de Duitsers in Geesteren zat in de voorkamer van fietsenmaker Gerrit Roessink. Daarnaast hadden ze het gymnastieklokaal van de lagere school gevorderd. Alle ramen waren daar geblindeerd. In het lokaal werden de persoonlijke spullen van gesneuvelde Duitse soldaten uit de regio verzameld, uniformen, uitrusting et cetera. Een dag voor de bevrijding, 31 maart, hoorden we ineens een enorme knal. Vrijwel alle Duitsers waren al vertrokken, maar enkele waren achtergebleven om het gymnastieklokaal op te blazen. Het stond dagen in brand en was nauwelijks uit te krijgen door al die kleding. Het weiland van Ten Elshof dat ernaast lag, was bezaaid met allerlei spullen. We hadden geen school meer en werden verspreid over diverse locaties. Ikzelf kreeg met een paar medeleerlingen les in de grote keuken van familie Bleumink (boerderij Bloemendaal) aan de Lochemseweg. Dit is nu de Nettelhorsterweg. Na twee dagen gingen we naar Café Meilink, tevens kruidenier en handelaar in eieren en manufacturen. Daarna verhuisden we naar het gebouw achter de kerk, wat nu De Stoave heet. Het opblazen van het gymnastieklokaal was natuurlijk een zinloze actie van de Duitsers."

Na de bevrijding kwam het gewone leven weer op gang. Burgemeester Drost kwam vanuit Zevenaar terug naar Borculo en de ordedienst werd ingesteld, bestaande uit onderduikers en andere vrijwilligers. Deze dienst had onder meer tot taak collaborateurs op te pakken. "Ik herinner me nog dat er drie meisjes kaalgeschoren waren uit vergelding voor hun relatie met de Duitsers. Twee ervan zijn weggetrokken, een is er gebleven. Ook werden er nog tien Duitse soldaten ontdekt die zich hadden verstopt. Het bericht kwam van Berent Hilhorst uit de Boshoek (Gelselaar). Op een zaterdag zag ik drie Duitsers met de handen op het hoofd komen aanlopen. Achter hen liepen de twee broers Jan en Hendrik Hiddink, de broers van boer Hiddink die in de oorlog was afgevoerd vanwege onderdak verlenen aan Joden (zie deel 2 van deze serie). De Duitsers werden naar het kantoor van de ordedienst gebracht, bij slagerij Geesink, en van daaruit naar Borculo. Na de bevrijding zijn er nog een paar Canadese tanks aan de Zonnekamp gebleven. Wij hadden er ook regelmatig een aantal Canadezen in huis. Ze lagen in slaapzakken op de grond en versperden zelfs de alkoof waar mijn oma in sliep. Het waren aardige lui, ik kreeg stripjes Wrigley's kauwgom van hen. Maar drinken konden ze ook als de beste. De Duitsers waren wat dat betreft veel gedisciplineerder. Na de oorlog zijn er nog Canadezen met hun familie terug geweest in Geesteren, maar ik heb nooit meer iemand gezien. Jan Kelderman trouwde met Trijntje de Jong en begon een verzekeringskantoor in Borculo. Trijntje was ook een koerierster voor het verzet geweest. Ik heb veel gesprekken met Jan gevoerd. Hij wist dat ik van veel dingen op de hoogte was in de oorlog en vertrouwde mij zijn verhaal toe. Jan zei eens over zijn verzetsactiviteiten: "Wat heb ik mijn leven toch gewaagd met al dat gedoe". Maar een ding heeft hij nooit gedaan en dat is een Duitser doodgeschoten. Achteraf was hij daar blij om. Jan overleed in 2015 en is in Usselo gecremeerd. Dinie, zijn zus, is met een boer in Nieuw-Buinen getrouwd. Ik ben daar met mijn vrouw Gerda nog wel eens geweest. Zij overleed in 2013 en is in Dieren gecremeerd. Tijdens haar uitvaartdienst in de St. Walburgiskerk in Zutphen sprak de dominee de woorden: "Zij schijnt in de oorlog ook nog als koerierster te hebben gewerkt." Meer wist hij er niet over. Ik heb het maar zo gelaten, hoewel het me wel stoorde. Het was wel erg kort door de bocht."

 

Meer berichten